| Expertartikel |
|
Aantonen uitvoer kan op vele manieren Wanneer goederen worden uitgevoerd dan heeft dat ook fiscale gevolgen. Zo is bij uitvoer meestal het nultarief voor de omzetbelasting van toepassing, is accijns definitief niet verschuldigd en kan het communautair douanevervoer worden beëindigd. Nu de douane op korte termijn aangiften buiten werking gaat stellen als niet vaststaat dat de goederen binnen 90 dagen zijn uitgevoerd, lijkt het alsof dat in alle gevallen vergaande gevolgen heeft. Echter, het aantonen van de uitvoer kan ook op andere manieren. Omzetbelasting Eén van de belastingmiddelen waarvoor het aantonen van uitvoer van groot belang is, is de omzetbelasting. Bij uitvoer is immers het tarief nihil van toepassing, in plaats van 19% of 6%. Op grond van de nationale wetgeving is het nog steeds mogelijk om de daadwerkelijke uitvoer aan te tonen aan de hand van ‘boeken en bescheiden’. Eén van die bescheiden kan een uitvoeraangifte zijn, maar ook aan de hand van andere bescheiden kan de uitvoer worden aangetoond. Bijvoorbeeld een voor ontvangst afgetekend vervoersbewijs (AVC of CMR), maar ook een combinatie van bijvoorbeeld factuur, betalingsbewijs en overeenkomst. Het is dus zeker niet zo dat wanneer de douane de uitvoeraangifte buitenwerking stelt u per definitie een onoverkomelijk probleem heeft. Maar gemakkelijker wordt het er niet op. Overigens merk ik op dat het mogelijk is om bezwaar in te dienen tegen het buiten werking stellen van een aangifte. Dat kan zinvol zijn omdat dan al een bezwaarprocedure als “testcase” kan worden gevoerd, voordat de eigenlijk bezwaarprocedure in het kader van de fiscale gevolgen wordt opgestart. Accijns Een andere belastingsoort die bij uitvoer in beginsel niet verschuldigd is, is de accijns. Meestal wordt dan een administratief geleidedocument (AGD) opgemaakt waarbij het de bedoeling is dat deze bij de grens van de EG wordt afgetekend. Uiteraard blijft dat om welke reden dan ook nog wel eens achterwege. In die gevallen kan ook met alternatief bewijs de uitvoer worden vastgesteld. Lange tijd (en recent nog) hanteerde de Douane dan het uitgangspunt dat dit bewijsmiddel moet voldoen aan de eisen zoals gesteld in artikel 365 / 366 Toepassingsverordening CDW. Dat betekent dat het zou moeten gaan om officiële en originele douanedocumenten. Dat uitgangspunt is echter onjuist zo blijkt uit jurisprudentie en bezwaarprocedures die wij recent voerden. Inmiddels heeft de Hoge Raad diverse interessante arresten gewezen. Uit deze arresten blijkt ten eerste dat de enkele omstandigheid dat een belanghebbende niet beschikt over het (afgetekende) exemplaar van het AGD, nog niet bekent dat er sprake is van uitslag ofwel een belastbaar feit. De douane zal eerst actief onderzoek moeten plegen en de overgelegde gegevens in haar overwegingen moeten betrekken. Ten tweede blijkt dat de belanghebbende diverse documenten kan overleggen als alternatief bewijs. Daartoe dient, zo stelt de Hoge Raad “te worden bewezen dat de goederen bij het kantoor van uitgang zijn aangebracht dan wel, bij gebreke daarvan, aan boord zijn gebracht en gebleven van een zeeschip of van een vliegtuig, dat de Gemeenschap heeft verlaten dan wel dat de goederen anderszins de Gemeenschap hebben verlaten.” Om dit aan te tonen kan de belanghebbende zich bedienen van alle mogelijke bewijsmiddelen en niet alleen van een uitvoeraangifte of andere douanedocumenten. Wanneer de douane deze niet accepteert, kan het in bepaalde gevallen zeer lonend zijn om te procederen, zo leert onze ervaring. In bezwaar of in beroep wordt vaak geoordeeld dat uitvoer wel is aangetoond terwijl de inspecteur aanvankelijk stelt dat dat niet het geval is. Douanerechten De laatste belastingsoort waar ik kort aandacht aan wil besteden zijn de douanerechten. Om te voorkomen dat douanerechten moeten worden betaald voor niet-communautaire goederen (T1) die worden uitgevoerd naar een derde land, worden deze goederen meestal onder douanevervoer geplaatst. Het is dan wel belangrijk dat het douanevervoer op regelmatige wijze wordt beëindigd. Wanneer dat niet het geval is dan kan aan de hand van alternatief bewijs worden aangetoond dat de goederen bijvoorbeeld een andere toegestane douanebestemming hebben gekregen of de EG hebben verlaten. In die situatie gelden echter wel de formele bepalingen van artikel 365 TCDW. Maar hoe zit het wanneer enerzijds onomstotelijk vaststaat dat de goederen zijn uitgevoerd, maar dat dit anderzijds niet kan worden aangetoond met bewijsmiddelen toegestaan op grond van artikel 365 TCDW. Ik ben van mening dat dan toch geen douaneschuld ontstaat. Op dit moment voeren wij daar procedures over. Wanneer daar meer duidelijkheid over is zullen wij u nader berichten. Voor meer informatie, stuur een mail aan bart.boersma@douaneadvies.nl (Bart Boersma is eigenaar van en senior-jurist bij Customs Knowledge. Customs Knowledge adviseert middelgrote en grote bedrijven over douane en andere internationale handelspolitieke zaken, procedeert tegen de overheid bij diverse rechtbanken en gerechtshoven en verzorgt opleidingen en trainingen)
|

